Ontwikkelingshulp voor Nederlandse debatcultuur

Afdrukken

mark_rutte_winnaar_debatprijs_2011_thumbnailVeel kritiek was er de afgelopen twee dagen op het niveau van de Algemene Politieke Beschouwingen.
Het zou meer op cabaret en moddergooien lijken dan op een debat. Een deel van deze kritiek heeft met persoonlijke smaak te maken. Maar er is een aantal punten vanuit ons gezamenlijke belang van goede parlementaire debatten de moeite van het overwegen waard. De belangrijkste oorzaak van de onvrede is gelegen in gebrekkige kennis, vaardigheid en waardering voor retorica in ons land.

Spreken via de voorzitter
Laten wij beginnen met  de basale regel dat tijdens een debat via  de voorzitter moet worden gesproken. Zeer terecht spoort Kamervoorzitter Gerdi Verbeet tijdens de debatten, maar ook daar buiten, Kamerleden stelselmatig aan om dit te doen. Het belang van het spreken via de voorzitter is, zeker in deze tijd van polarisatie, groot. Op de eerste plaats haalt het een deel van de persoonlijke scherpte uit het debat dat niet functioneel is. Vrijwel altijd spreken onze politici elkaar persoonlijk aan: 'Mijnheer Van Haersma Buma, u moet nu maar eens kleur bekennen inzake  Europa'. Hoe anders klinkt het wanneer hier gezegd zou worden: 'Voorzitter, de fractieleider van het CDA moet nu maar eens kleur bekennen inzake Europa'. In Groot Brittannië, waar kinderen van jongs af aan oefenen met het voeren van debatten voelen politici, maar ook de burgers die naar het debat kijken aan wat de waarde is van dit  gebruik. Het is onderdeel van het besef dat tijdens een debat zoveel mogelijk afstand moet worden genomen van de politicus als persoon. Zijn boodschap moet worden aangevallen, niet zijn persoon.  Daarnaast symboliseert het spreken via de voorzitter de rol van de voorzitter als onafhankelijke scheidsrechter die de regie voert over het debat. En dat is belangrijk. Zeker wanneer de emoties hoog oplopen heeft uiteindelijk eenieder er belang bij dat iemand met gezag tussen de partijen in kan gaan staan. Dit noodzakelijke respect voor de functie van de voorzitter ontbreekt stelselmatig tijdens onze parlementaire debatten.

Interrupties
Wat ook stoort en schadelijk is zijn de stelselmatige onderbrekingen van sprekers en de manier waarop sprekers daar mee omgaan. Job Cohen had afgelopen woensdag een op papier indrukwekkend betoog waarin een toekomstvisie van de PvdA uit de doeken werd gedaan. Het viel echter voor een groot deel in het water omdat hij, letterlijk nog voordat hij van wal stak, al werd geïnterrumpeerd. Meer dan een uur stond de oppositieleider vragen te beantwoorden van andere partijen waarbij hij tussendoor af en toe een stukje van zijn verhaal kon houden. Hierdoor kwam de boodschap maar beperkt over. En dat is schadelijk voor het debat. Het zou veel beter zijn wanneer de Kamer beschermde spreektijden zou invoeren waarbij iedere partij bijvoorbeeld tien minuten de tijd krijgt om zijn visie en standpunten te ontvouwen voordat er opmerkingen en vragen gesteld kunnen worden. In bijvoorbeeld het Europees Parlement hebben sprekers in verregaande mate regie over hun eigen betoog. Ook in Groot Brittannië ligt de regie bij de spreker. In ons Parlement is het invoeren van beschermde spreektijden meerdere malen aan de orde geweest maar vooralsnog steeds door partijen verworpen omdat men elkaar wil kunnen 'ontregelen' met interrupties. Een gebrek aan respect voor elkaars visie en onterechte angst voor gebrek aan controle. Daar zijn debatten feitelijk aaneengeschakelde monologen.
Overigens gaan sprekers in ons Parlement over het algemeen ook slecht om met interrupties. Vrijwel altijd wordt direct en uitvoerig antwoord gegeven, ook wanneer de vraag weinig tot geen verband houdt met de passage van het betoog dat aan de orde is. Politici zouden veel meer regie moeten voeren over hun eigen spreektijd en bijvoorbeeld moeten aangeven dat de gestelde vraag past bij een latere passage van het betoog en dat deze dan ook beantwoord zal worden wanneer die  passage aan de orde is. Ook de voorzitter zou hier een sturende rol in kunnen hebben.

Verschil in vaardigheid
Tot slot speelt het grote verschil in retorische vaardigheid een storende factor tijdens onze politieke debatten. Doordat generaties lang het oefenen met spreken en debatteren geen onderdeel is geweest van ons onderwijssysteem zijn Nederlanders over het algemeen zeer matige sprekers. Het schadelijke effect daarvan zie je terug bij de Algemene Politieke Beschouwingen. Sprekers als Alexander Pechtold, Geert Wilders en Mark Rutte steken met kop en schouders boven de rest uit en zijn daarmee in staat de regie, het tempo en de sfeer van het debat te bepalen. En dat is schadelijk voor de kwaliteit. Idealiter opereren fractievoorzitters op min of meer hetzelfde retorische niveau. Pas dan wordt de inhoud de bepalende factor boven de vorm. Nu hebben de goede sprekers onevenredig veel macht tijdens het debat doordat zij met effectieve drogredenen, stijlfiguren en doordachte timing de kijker en hun opponenten beïnvloeden. En de Nederlandse burger doorziet voor het grootste deel niet wat er feitelijk gebeurt omdat hij over het algemeen zelf ook weinig kaas gegeten heeft van de kunst van het overtuigen.

Het politieke  debat speelt een belangrijke  rol in het functioneren van onze parlementaire democratie. Als samenleving hebben wij er  het grootste belang bij dat deze debatten goed gevoerd worden. Daarvoor is het belangrijk dat er in de samenleving basale kennis en vaardigheid is op het gebied van retorica. Alleen dan kunnen  wij scherp maar inhoudelijk onze  meningsverschillen bespreken.

Roderik van Grieken en Donatello Piras zijn respectievelijk directeur en hoofdtrainer van het Nederlands Debat Instituut. Het instituut reikte gisteren de jaarlijkse Debatprijs voor de Beste Debater van de Algemene Beschouwingen uit aan  Mark Rutte.

 

 

Door: Roderik van Grieken en Donatello Piras

Verschenen op 23 september 2011 in NRC Handelsblad

NRC_logo Klik op het logo om het artikel te lezen.

FacebookGoogle BookmarksLinkedinTwitter