Roderik van Grieken werd door Iris Kranenburg geïnterviewd voor een artikel over de presidentiële televisiedebatten: toen en nu. Het artikel is geplaatst in het verenigingsblad van de Tilburgse Fiscalistenvereniging.
We smullen er van: de televisiedebatten tussen de presidentskandidaten. Vroeger was dat ook al zo, maar de debatten zelf zijn nu allang niet meer hetzelfde als toen.
Door Iris Kranenburg
Het televisiedebat is een geliefd onderwerp van discussie, maar is natuurlijk niet nieuw. Al sinds bijna vijftig jaar zitten miljoenen Amerikanen voor de buis als het weer zo ver is. In onze tijd zijn de debatten niet meer uit weg te denken. Voor de kandidaten een riskant onderdeel, want als ramptoeristen zitten de kijkers tegenwoordig meer dan ooit te wachten op een blunder. Een fout en een presidentskandidaat kan de overwinning zomaar op zijn buik schrijven.
Het allereerste debat dat live op de televisie werd uitgezonden dateert uit 1960 en werd meteen beschouwd als legendarisch. Direct na het debat werd duidelijk hoe groot de impact van de televisie zou worden.
De goed geklede, gebruinde en jongogende Democraat John F. Kennedy nam het op tegen een duidelijk vermoeide en ietwat zwetende Republikein Richard Nixon, die van tevoren weigerde een laagje make-up te laten aanbrengen op zijn bleke gezicht. Bovendien had Kennedy met zijn campagneteam zorgvuldig kleding uitgekozen die perfect bij het achtergronddecor van de studio paste in tegenstelling tot het doffe, grijze pak waarin Nixon verscheen. Nixon had de invloed van een live debat op televisie hiermee compleet onderschat.
De rest van het verhaal is geschiedenis. Het merendeel van de 77 miljoen televisiekijkers vond dat Kennedy het debat had gewonnen. Radioluisteraars vonden dat Nixon beter uit de verf kwam.
Het was volgens Sidney Kraus, hoogleraar Communicatie op de Cleveland State University en schrijver van het boek Televised Presidential Debates, het begin van een nieuw campagnetijdperk. ‘Niet alleen inhoud zou vanaf toen tellen, ook de presentatie naar de kiezers toe zou steeds belangrijker worden’, schrijft hij.
Geen debat
‘Klopt’, zegt ook Roderik van Grieken, directeur van het Nederlands Debat Instituut: ‘Als een van de kandidaten cruciale fouten maakt heeft dat soms onherstelbare schade voor zijn imago als gevolg. Het besef bij de presidentskandidaten over het belang van zo’n optreden was na 1960 zo goed doorgedrongen dat het effect de jaren erna nog goed te voelen was.’
Presidentskandidaten durfden het namelijk pas zestien jaar later weer live op televisie tegen elkaar op te nemen. Het gevolg van het ontbreken van debatten tijdens de campagnes was toen gering, zegt Van Grieken. ‘Omdat er pas een keer een live debat op televisie te zien was geweest was het nog geen gewoonte geworden. Nu zou het onacceptabel zijn om geen debat te laten plaatsvinden. De kiezer wil beelden zien van beide kandidaten en wil weten hoe ze het tegen elkaar opnemen.’
Mond vol tanden
Door alle ophef uit 1960 zijn zowel de presentatie als de voorbereiding van de debatten die vanaf 1976 weer plaatsvonden enorm belangrijk geworden, volgens Van Grieken. ‘Het zal nu niet snel meer gebeuren dat een kandidaat wordt overvallen met een vraag van zijn tegenstander. De verdediging is zo belangrijk dat alles tot in de puntjes voorbereid wordt om maar niet met een mond vol tanden te komen te staan.’
De Democratische kandidaat Michael Dukakis had dit echter nog niet helemaal begrepen en ging in 1988 bij zijn eigen verdediging dan ook volledig de fout in. Tijdens de tweede ontmoeting met zijn Republikeinse tegenstander George Bush sr kwam hij zwak uit de startblokken. Op de eerste –overigens zeer ongepaste- vraag werd zijn mening over de doodstraf gevraagd als zijn vrouw verkracht en vermoord zou worden. In zijn antwoord vergat Dukakis zijn geprepareerde stellingname bij het onderwerp criminaliteit. Hij zou het belang van het slachtoffer benadrukken, maar in plaats daarvan antwoordde hij heel droogjes dat hij tegen de doodstraf was. In de beleving van de kijkers een ongepassioneerd, emotieloos en politiek correct antwoord. Deze uiterlijke gevoelloosheid deed hem meteen de das om.
Tegenwoordig trekken kandidaten zich dagen van tevoren terug met hun campagneteam om de verdediging en de soundbites voor het debat zorgvuldig voor te bereiden.
Als voorbeeld van goed ingestudeerde antwoorden in de huidige campagnes noemt Van Grieken het debat tussen de Republikeinse vice-presidentskandidaat Sarah Palin en haar Democratische tegenstander Joseph Biden. ‘Palin had veel antwoorden al van tevoren ingestudeerd en bracht die naar voren ongeacht wat de vraag was.’ Dit ontging haar zelf ook niet: ‘Ik antwoord misschien niet op de vragen die jij of de debatleidster wilt horen, maar ik ga rechtstreeks tot het Amerikaanse volk spreken,’ was haar reactie hierop.
Daarnaast liet Palin maar weer eens zien dat details belangrijk zijn tijdens de debatten. Tijdens een van haar betogen trakteerde zij het Amerikaanse publiek op een kokette knipoog die de berekening verraadde van de schoonheidskoningin die de jury probeert te bespelen. Omgedraaid kan een onbewuste kleinigheid een negatief imago bevorderen. In 2000 zuchtte Al Gore gedurende de discussie tegen Bush junior een paar keer luid en duidelijk. Hiermee werd hij door critici al gauw betiteld als arrogant.
Format
Dat Palin het beter deed dan verwacht komt ook doordat het format van televisiedebatten volledig van tevoren is vastgelegd. Van Grieken: ‘De onderwerpen worden al in een eerder stadium bepaald. De gespreksleider weet precies wie hoe lang en wanneer mag praten. Van tevoren weet iedereen al exact waar hij moet staan, wat zijn of haar taak is en of er handjes geschud worden.’
Dat maakt de discussies van nu een stuk minder spontaan, vindt Amerika-deskundige Willem Post. ‘De debatten worden helemaal dichtgegooid en dat is jammer.’ Het neemt volgens hem niet weg dat een debat daardoor niet meer belangrijk zou zijn. ‘Het is een effectief middel voor kandidaten om te laten zien wie ze zijn. Zeker iemand als Obama met weinig buitenland-ervaring zal zich moeten bewijzen.’
Woensdag zullen veel Amerikanen weer massaal voor de buis zitten om getuige te zijn van het derde en laatste presidentiële debat tussen Barack Obama en John McCain. Of net als bij het eerste debat het aantal van 52,4 miljoen kijkers wordt gehaald is twijfelachtig. Volgens Post zitten de debatten zo dicht op de verkiezingen dat ze niet beslissend zullen zijn. ‘De meeste kiezers hebben hun oog al laten vallen op een van de twee kandidaten.’
Van Grieken twijfelt aan deze bewering. ‘De zwevende kiezer zal altijd een belangrijke rol blijven spelen, want veel mensen zullen hun keuze pas maken na de debatten.’ Hij denkt zelfs dat deze steeds belangrijker zullen worden in de toekomst: ‘Het is een zo goede manier om twee kandidaten met elkaar te vergelijken dat ik me niet kan voorstellen dat de rol ervan minder zal worden.’
Speelt de ontwikkeling van het internet hier dan helemaal geen rol in? ‘Juist wel’, aldus Van Grieken, ‘mensen kijken via het internet de televisiedebatten terug. Een debat van anderhalf uur is al snel te lang, dus kijken ze liever kleine stukjes terug die door de media zijn geselecteerd. Vroeger wist je dat iedereen het hele debat zou blijven kijken, simpelweg omdat het aanbod van het aantal zenders gering was.’
Het gebruik van internet is dit campagnejaar echt doorgebroken, meent ook Post. ‘Zeker Obama maakt optimaal gebruik van nieuwe media. Zo stuurt hij grote groepen kiezers sms-berichten waardoor het contact erg persoonlijk overkomt. Ook daaruit blijkt dat de campagnes steeds meer worden opgezet volgens de principes van de marketing.’
Oneliners
Door deze vernieuwde technieken is het belang van oneliners, of soundbites toegenomen. Van Grieken: ‘Doordat tegenwoordig de hele wereld meekijkt is het belangrijk dat de media de juiste dingen oppikken. Oneliners zijn daar, in tegenstelling tot vroeger, heel belangrijk voor. Ze zijn kort en krachtig en daar zijn we naar op zoek.’
Inderdaad vraagt het huidige mediagebruik om een korte samenvatting van de boodschap. Het voortdurend herhalen van de spannendste onderdelen van een debat of toespraak door de vele nieuwszenders versterkt het effect van oneliners. Veel meer en veel sneller dan vroeger gaan die rondzingen bij de kiezer .
Iets nieuws is het gebruik van oneliners trouwens allerminst, integendeel. Zij zijn van alle tijden. Abraham Lincoln vatte zijn boodschap al kernachtig samen tot ‘Government of the people, by the people, for the people’. En wie herinnert zich niet de woorden ‘Ich bin ein Berliner’ van John F. Kennedy. George Bush’ uitspraak ‘read my lips, no more taxes’ bleef hem zijn hele presidentschap achtervolgen. Zijn zoon George W. Bush introduceerde het begrip ‘Axis of evil’, waarmee hij de geschiedenisboeken wel zal halen. In 1980 wist de Republikeinse Ronald Reagan de spijker op zijn kop te slaan door zinnen als ‘there you go again’ of ‘are you better off today than you were four years ago?’. Het debat tussen de toenmalige president Carter en zijn Republikeinse uitdager Reagan trok enorm veel belangstelling. Er keken maar liefst 80,6 miljoen mensen live naar het debat. Een aantal dat overmorgen zeker niet wordt gehaald, maar de soundbites hebben misschien wel een veel groter bereik dan toen.


