Dit klinkt logisch voor de bestuurder of gemeenteambtenaar. Toch is het een groot verschil met hoe de rest van de overheid en het bedrijfsleven is georganiseerd. Stel je voor dat er iedere vier jaar een nieuwe directie, nieuwe medewerkers en een nieuw secretariaat wordt gevormd in de gemiddelde organisatie. Dit terwijl de klanten hetzelfde blijven. Dat zou een hoop reuring veroorzaken. Het is uiteraard goed om vanuit democratisch oogpunt iedere vier jaar weer aan de inwoner te vragen wie namens hem of haar in de gemeente mag plaatsnemen. Sterker: als we het niet zouden doen, zou het onherroepelijk leiden tot andere nadelen. Maar de manier waarop wij onze lokale democratie hebben ingericht, vraagt wel om aandacht. Meer aandacht voor de vaardigheden en kennis die je nodig hebt om goed te kunnen besturen en functioneren in het lokale bestuur.
Vergadertijd
Het is nog vroeg maar over een half jaar kunnen we de resultaten van de eerste onderzoeken weer verwachten. Met ongetwijfeld de bekende uitkomsten: raadsleden klagen over te veel vergadertijd, bestuurders over het kennisniveau van de raad en ambtenaren rennen het vuur uit hun sloffen om alles weer te sussen. Tussendoor komt er ook nog een herziening van de vergaderorde, een nieuwe burgemeester en als het tegenzit een herindeling. Kortom: een enorme uitdaging voor griffie, college en raad.
De vraag is of er iets gedaan wordt met al die conclusies en aanbevelingen. Zit er verschil tussen de invoering van het dualisme in 2002 en het onderzoek in 2010? De ervaring leert dat wanneer je op de publieke tribune plaatsneemt sommige zaken beter zijn geregeld dan acht jaar geleden. Agenda’s zijn begrijpelijker, de raden worden pluriformer van samenstelling en langzamerhand begint het dualisme zijn vruchten af te werpen. Maar er is nog veel werk aan de winkel. De kennis van het politieke bedrijf is bij vele nieuwe raadsleden vaak nihil. De eerste maanden en zelfs jaren worden gebruikt om dit niveau op te krikken. Toch kunnen met name de vaardigheden om goed en effectief te vergaderen worden aangepakt. Met directe positieve gevolgen voor alle betrokkenen die de komende jaren werken in dienst van het algemeen belang.
Want ga maar na: er wordt wat afvergaderd in de gemiddelde gemeente: raadsvergadering, collegevergadering, presidiumvergadering, vergadering met belangengroepen, commissies, winkeliersvereniging en ga maar door. Het niveau van de verschillende vergaderingen is niet hoog. Op de vergaderscan van het Nederlands Debat Instituut, een instrument om het functioneren van een raadsvergadering te meten, scoren de beoordeelde gemeenten gemiddeld net een voldoende. Indien je een 5.9 als voldoende ziet.
Betere vergaderingen, tevreden burgers
De meeste vergaderingen kunnen beter. Een drietal oplossingen ligt in het verschiet:
1. De voorzitters van de vergaderingen zijn doorgaans niet bekwaam genoeg om duidelijkheid te scheppen in een vergadering. De gemiddelde commissievoorzitter is lid van de raad en doet het voorzitterschap er even bij. Sommige gemeenteraden investeren één avond training en daar moet de komende vier jaar op geteerd worden. Dat is te weinig. Een goede voorzitter is streng, houdt de doelmatigheid in de gaten en zorgt van begin tot het einde voor duidelijkheid. Vaardigheden als samenvatten en parafraseren zijn lastig en eng als je het nog nooit gedaan hebt maar wel broodnodig.
2. De dubbelrol van de burgemeester is soms moeilijk werkbaar . Een burgemeester is niet alleen voorzitter van het college maar ook portefeuillehouder en daarnaast technisch voorzitter van de raad. De laatste vaardigheid blijkt in de praktijk lastig te combineren. Dit in combinatie met het feit dat de gemiddelde burgemeester zich zelden laat trainen of van advies laat voorzien. Dit is zonde, want juist in de rol als voorzitter van de raad moet een burgemeester andere vaardigheden laten zien dan in zijn rol van burgemeester en voorzitter van het college. In zijn rol als technisch voorzitter dient de burgemeester de vergadering van de raadsleden en de toehoorder, thuis of op de publieke tribune. Dat is een andere rol dan collegevoorzitter. Daar staat de inhoud centraal maar bij een raadsvergadering wordt de voorzitter geacht alleen technisch voorzitter te zijn. Doe je dit niet dan is er sprake van een laatste monistisch residu dat snel moet worden verwijderd. Een betere dialoog en training samen met de raad zou een eerste stap in de juiste richting zijn. Daarnaast mag de burgemeester nooit de vergadering voorzitten als hij ook als portefeuillehouder optreedt.
3. In Nederland hebben raadsleden een controlerende, kaderstellende en volksvertegenwoordigende taak. Het blijkt soms lastig om daar als raadslid invulling aan te geven. Ook hebben de meeste nieuwe raadsleden nog nooit gedebatteerd of de pers te woord gestaan. Dit zijn dermate specifieke vaardigheden die, jammer genoeg, niet voldoende verweven zitten in ons onderwijssysteem en die dus voorlopig niet als voldoende moeten worden verondersteld. Een nieuw gekozen raadslid debatteert soms voor de eerste keer in de gemeenteraad. Meestal wordt de kunst afgekeken bij de meer ervaren raadsleden en via de eigen fractie. Maar het is de verantwoordelijkheid van de totale raad om een vergadering goed in te richten. Je aan de orde houden, duidelijk spreken, kunnen reageren in het debat, de voorzitter kunnen helpen bij het samenvatten en na afloop de media te woord staan, zijn hierbij van cruciaal belang.
Kortom: bestuurders en volksvertegenwoordigers; zet de schroom opzij en neem het politieke bedrijf serieus. Kies voor structurele scholing en neem de individuele verantwoording om verbeterpunten aan te pakken en elkaar te coachen. Naast een beter functionerende gemeenteraad levert het ook nog persoonlijk voordeel op. De geleerde vaardigheden zijn ook heel nuttig bij de sportvereniging, op werkoverleg of aan de keukentafel.
Succes!
Roderik van Grieken, directeur & Donatello Piras, hoofdtrainer
Nederlands Debat Instituut
Klik hier voor meer informatie over onze leerlijn Duaal Debatteren voor gemeentes.


