De gemiddelde Nederlander is niet geïnteresseerd in de Europese politiek. Dat is best logisch maar een kwalijke zaak, wat is de oplossing? Binnen twee weken loopt het zomerreces van het nieuwe Europees Parlement af. De kersverse parlementariërs gaan de komende vijf jaar hun best doen om zoveel mogelijk in de publiciteit te komen. Voor velen is dat nu al ijdele hoop.
Dat is verklaarbaar. De opkomst bij de verkiezingen was het eerste teken van desinteresse. De grote afstand van het Europees Parlement tot de burgers en de onbekendheid van de Europarlementariërs draagt hier nog aan bij. Bekendheid is belangrijk voor een volksvertegenwoordiger. In een parlement met 736 afgevaardigden is dit verre van eenvoudig maar niet onmogelijk. De oplossing ligt in het versterken van de zichtbaarheid van de parlementariërs, het onomstotelijk te kiezen voor Europese thema’s en te zorgen voor meer duidelijkheid en debat.
Zichtbaarheid
Met de bekendheid van de gemiddelde Europarlementariër is het dus op zijn zachts gezegd slecht gesteld. Aan het begin van de Europese verkiezingscampagne werd een onderzoek gefdaan naar de bekendheid van de lijsttrekkers in Nederland met erbarmelijke resultaten. En dit zijn nog de lijsttrekkers. Het gemiddelde parlementslid leeft eigenlijk vijf jaar in de anonimiteit, zeker als je dit vergelijkt met de aandacht van zijn evenknie in de Tweede Kamer. Maar ook meer prominente functies zoals de voorzitter zijn onbekend. Wie kent Jerzy Buzek (de nieuwe voorzitter) en wie heeft wel eens gehoord van Hans-Gert Pöttering(de afgelopen voorzitter)? De meest bekende Nederlandse naam in Europa is Neelie Kroes maar zij is weer geen volksvertegenwoordiger. Hoe kan het beter?
Barry Madlener bewees hoe dit kan: veni, vidi, vici! Hij leverde op de eerste zittingsdag van het Europees Parlement een mondelinge bijdrage, die de nodige aandacht van de media trok. Vele Nederlandse Europarlementariërs zijn hem in de afgelopen jaren al voorgegaan, toch kwamen zij zelden tot nooit in het nieuws laat staan in het journaal. Reden? De technocratische boodschap vol met ‘Euroslang’ is vaak niet te volgen. Barry Madlener bewijst wederom dat een korte en krachtige boodschap zich wel leent voor het uitzenden via de kanalen van de media. En dat is belangrijk voor een parlement dat naarstig op zoek is naar erkenning en volwassenheid.
Het lijkt makkelijker gezegd dan gedaan. De onderwerpen in Brussel en Straatsburg zijn weliswaar belangrijk maar vaak technisch en ingewikkeld. Tel daar de 23 officiële talen bij op waar de Parlementariërs mee communiceren en het feit dat er 736 afgevaardigden bij elkaar zitten en het is duidelijk dat het moeilijk is om dit helder, transparant en aantrekkelijk te maken. En toch moet dit. Duidelijkheid in spreken en het verwoorden van een standpunt vergroot de aandacht en dus de bekendheid van een parlementslid, zoals Madlener bewees. Zijn imago in Nederland is in ieder geval gebaat bij het frequent verschijnen in de media.
Europese thema’s
Daarnaast is het een feit dat een Europees instituut pas echt ‘Europees’ is, wanneer de kiezer in Nederland op Europese onderwerpen kan stemmen en er daarna ook over geïnformeerd blijft. Een goed voorbeeld hiervan zijn zaken zoals de gloeilamp, het zwangerschapsverlof en de toetreding van nieuwe lidstaten. Die speelden echter vooralsnog alleen een rol tijdens de drie weken die de campagne duurde en dat moet anders. Daarbij komt dat op een enkele uitzondering na de verkiezingsboodschap negatief was (“Minder Europa, Nee tegen Europa”). Tot slot was het merendeel van de verkiezingsprogramma’s nationaal georiënteerd. In plaats daarvan moeten de partijen Europese onderwerpen benoemen en uitleggen. De Nederlander uitleggen waarom de gloeilamp verboden wordt of wat de argumenten zijn om het zwangerschapsverlof te verruimen zorgt voor meer begrip. De gemiddelde Nederlander is best geïnteresseerd in Brussel als de zaken hem direct aangaan. Daarnaast kan een maatregel zoals het stemmen op een andere Europeaan zoals een Italiaan of een Engelsman ook een nuttige bijdrage leveren.
Meer debat
Ten derde is het essentieel dat we iets doen aan de helderheid en de toegankelijkheid van de vergaderingen in Europa. Helaas is de gemiddelde parlementariër voor een gewone Nederlander niet te volgen tijdens zijn mondelinge bijdrage. De betogen duren 5 minuten, zijn zonder interruptie en zijn vaak gespeend van een goede structuur en staan bol van het jargon. Ook hier liggen de oplossingen voor het oprapen: Geef allereerst het debat in de plenaire zaal een prominenter karakter. Dit betekent dat plenaire debatten korter kunnen, vaker moeten plaatsvinden en interactiever moeten zijn. Te denken valt aan kortere bijdragen en vergaderingen met meer interrupties zodat de voor- en tegenargumenten eindelijk boven tafel komen.
Prime Ministers Question time, een begrip in Groot Brittannië, kan als voorbeeld dienen. Hier beantwoordt de premier vragen van volksvertegenwoordigers. En niet schriftelijk maar mondeling en kort en krachtig. Ook dit zou in het Europarlement kunnen bijdragen aan het begrip en de ingewikkelde materie toegankelijker te maken.
Een belangrijke voorwaarde voor een goed debat is dat er sprake is van een meningsverschil. De reden dat de PVV zoveel aandacht krijgt, heeft te maken met het dissonante geluid dat zij laten horen in vergelijking met de lauwe, pro-Europese soep die ons de afgelopen jaren is opgediend door de gevestigde partijen. Dit is uiteindelijk een zegen voor de gevestigde partijen en dé kans om zich vanaf nu beter te profileren. In Frankrijk voert Le Pen c.s. al jaren campagne tegen Europa, met als gevolg regelmatige botsingen met de pro-Europese collega’s. Dit debat leidt tot veel binnenlandse media-aandacht en dus beter geïnformeerde én betrokken burgers. In die zin is met de overwinning van de eurosceptische politieke partijen Nederland nu een ‘normaal’ Europees land geworden, met waarschijnlijk meer meningsverschillen en dus meer debat. De traditionele partijen zijn nu ook wakker geschud zoals bleek tijdens de afgelopen campagne. Ze moeten er nu alleen nog gebruik van maken.
Kortom: de tips voor de 7e zittingsperiode van het Europees Parlement kunnen direct leiden tot meer aandacht voor dit belangrijke instituut. Op de eerste plaats dienen politici zichtbaarder te zijn tijdens hun zittingsperiode. Ten tweede moeten parlementariërs zich profileren met Europese thema’s en niet met een agenda die eerder toegesneden lijkt op Provinciale Staten. Ten derde dienen de plenaire debatten open en transparant te zijn en te gaan over een voor de burger begrijpelijk meningsverschil. Winnaars zijn dan zowel de parlementariërs als de burgers: de eersten worden beter zichtbaar en gehoord en de tweede groep is beter geïnformeerd en voelt zich meer betrokken, waardoor de volksvertegenwoordigende functie van het Europees Parlement eindelijk tot wasdom kan komen.
Rob Boudewijn is consultant European Affairs en verbonden aan het Strategy Center van Nyenrode Business Universiteit en oprichter van het Europa-instituut.nl
Donatello Piras is als Hoofdtrainer verbonden aan het Nederlands Debat Instituut


