Kamerleden zelf schuldig aan zoutloos vragenuur

Afdrukken

Vragenuur Tweede Kamer

Dit artikel, geschreven door Roderik van Grieken, verscheen in de printeditie van de Volkskrant op 28 maart 2011.

Het blijft tobben met het wekelijkse mondelinge vragenuur in de Tweede Kamer. Na een lang proces van overleg in de Commissie Werkwijze startte de Kamer begin dit jaar een experiment met als doel meer snelheid, diepgang en scherpte in de wekelijkse ondervraging van bewindspersonen over de actualiteit. Na een hele korte testfase met veel kritiek wordt het experiment inmiddels alweer aangepast in een andere variant in de hoop op verbetering. Het probleem zit hem echter niet in de regels van het spel maar in de kwaliteit van de spelers. Kamerleden zijn over het algemeen slecht in het stellen van scherpe vragen.

 

Min en min is geen plus

In het ‘oude systeem’ nam één Kamerlid de aftrap, die in twee termijnen een bewindspersoon het vuur aan de schenen legde over een actueel onderwerp . Vervolgens mochten alle partijen die daar behoefte aan hadden kort aanhaken met een vraag. In de praktijk leidde dit meestal tot een rij van partijen die om de beurt dezelfde verontwaardiging of oproep uitspraken, ieder in zijn eigen toonsoort. Een weinig zinvolle en interessante exercitie. Het experiment om hier verbetering in te brengen hield in dat slechts één Kamerlid de bewindspersoon aan de tand mocht voelen in drie kortere vraag- en antwoordtermijnen. Dit zou moeten leiden tot meer snelheid, diepgang en scherpte. Niets bleek minder waar en inmiddels start dus binnenkort een compromisvariant (hoe Nederlands!) tussen het oude en het nieuwe systeem. Kennelijk met de gedachte dat min en min plus wordt. Helaas geldt dit alleen in de wiskunde.

Politiek scoren

De eerste stap op weg naar daadwerkelijke verbetering is het (h)erkennen van het doel van het vragenuur. Dat is niet het streven naar diepgang waarover nu gesproken wordt. In een kort debatje van een minuut of acht is dit feitelijk onmogelijk. Het doel is ook niet om geïnteresseerd te vragen naar de ideeën van de minister over een actueel onderwerp. Dat kan namelijk ook schriftelijk en gaat bijna net zo snel. Het doel is wel om politiek te scoren op de actualiteit. En daar is niets mis mee. Het is een snelle, attractieve en effectieve manier om de burger te laten zien hoe politieke partijen verschillend oordelen over bijvoorbeeld een aanslag op een politiecommandant in Kunduz. Deze gebeurtenis biedt de gelegenheid om een politiek meningsverschil bloot te leggen en druk uit te oefenen op het kabinet. Dit is een belangrijke taak van een parlementariër en moet dan ook zorgvuldig worden uitgevoerd.

Minder is meer

Wat gaat er in de praktijk nu mis? Op de eerste plaats hebben de meeste Kamerleden de niet te onderdrukken neiging om in niet één, maar meestal drie tot vijf vragen tegelijkertijd te stellen; ‘Is de minister op de hoogte van de uitzending van Zembla gisteravond? Wat is zijn mening hier over? Heeft hij al overleg gevoerd met de betrokkenen? Wat denkt hij verder te gaan doen?’ Deze strategie gaat direct ten koste van de duidelijkheid en de scherpte. Op de eerste plaats is de gemiddelde luisteraar de lijn van het gesprek direct kwijt. Vijf vragen zijn simpelweg niet te onthouden. Daarnaast moet de minister in een hele korte tijd vijf vragen beantwoorden wat ten koste gaat van de inhoud. Tot slot biedt het hem een mooie gelegenheid om een lang en breed antwoord te geven en daar zit de vragensteller naar alle waarschijnlijkheid niet op te wachten. Die wil zelf regie voeren en zo precies mogelijk bepalen waar over gesproken wordt. Dat betekent dat hij zich veel beter kan beperken tot één korte, scherpe vraag die de luisteraar op het puntje van de stoel doet zitten. Ischa Meijer heeft ooit gezegd dat ‘een goede vraag ieder antwoord in zijn schaduw stelt’. En zo is het. De vraag ‘is de minister op de hoogte van…’ is een loze vraag. Natuurlijk is de minister op de hoogte! Al is het maar omdat is aangekondigd dat hij er een vraag over krijgt. Veel scherper en sturender is de vraag: ‘Hoe komt het dat ik de minister sinds de uitzending van Zembla zondagavond nog niet op de inhoud heb horen reageren?’ In deze vraag liggen alle voorgaande vragen besloten inclusief een impliciet waardeoordeel.

Tijdverspilling

Maar los van de inhoud van de vragen is ook de huidige presentatie en de interactie ergerniswekkend. Zo worden vragen vrijwel altijd voorgelezen. In het Britse parlement is dit ondenkbaar. Zodra iemand voorleest roepen alle opponenten ‘reading!’ net zo lang tot het papier wordt weggelegd.  Dit in  de terechte overtuiging dat als iemand een vraag voorleest hij hem net zo goed schriftelijk kan stellen. De waarde van de mondelinge vraag is gelegen in de persoonlijke betrokkenheid van de vragensteller. Die moet van het scherm afspatten. Tijdens ons vragenuur komt het regelmatig voor dat een Kamerlid zijn volledige bijdrage voorleest, de bewindspersoon (die de vraag vooraf niet kent, wel het onderwerp) zijn best doet om zo natuurlijk en persoonlijk mogelijk te reageren, waarna het Kamerlid zijn vervolgvraag voorleest. Ik steun de Britse gedachte dat de vragen dan beter per post gestuurd kunnen worden en de minister zijn tijd nuttiger kan besteden. Verder geeft deze praktijk aan dat de gemiddelde vragensteller alleen geïnteresseerd is in zijn eigen vraag en niet zo zeer in het antwoord. Vervolgvragen horen uiteraard in te gaan op de reactie van degene die je de vraag stelt!

Debatteren is reageren. Het is het uitwisselen en scherp toetsen van standpunten tussen twee of meer personen die beiden proberen de toehoorder te overtuigen van hun gelijk. Het vragenuur leent zich er prima voor om dit, zonder al te veel diepgang vanwege de beperkte tijd, te doen over de actualiteit. Het zou, net als in Groot Brittannië, een wekelijks politiek hoogtepunt moeten zijn. Dat dit vooralsnog niet lukt heeft niets te maken met de structuur van het vragenuur maar met de invulling die Kamerleden er aan geven.

- Roderik van Grieken

FacebookGoogle BookmarksLinkedinTwitter