De Politieke Beschouwingen worden gezien als een belangrijk moment aan het begin van het politieke seizoen.
Deze week vinden de Algemene Politieke Beschouwingen plaats in de Tweede Kamer. Dit jaarlijks terugkerend debat wordt alom gezien als een belangrijk moment aan het begin van het politieke seizoen. Zeker dit jaar in het midden van een recessie, de onstuimige groei van de PVV en de gemeenteraadsverkiezingen in het vooruitzicht. De druk op de fractieleiders om goed voor de dag te komen is enorm.
De ervaring leert dat dit nog wel eens ten koste gaat van de kwaliteit van het debat. En dat is zowel zonde als schadelijk. Juist in turbulente tijden is het van belang dat wij als samenleving vertrouwen hebben in het proces van meningsvorming en besluitvorming van het Parlement. Dit vormt immers een belangrijke pijler voor het draagvlak van de uiteindelijke veelal ingrijpende besluiten. De sleutel tot een goed debat ligt voornamelijk in handen van de Kamervoorzitter. Indien zijvolgende week streng en consequent optreedt zullen het interessante en waardevolle Beschouwingen worden.
Maar eerst een korte analyse van wat de hoofdoorzaak is van slechte debatten. De doelstelling van een politiek debat is om door middel van het uitwisselen en toetsen van argumenten omtrent een meningsverschil te komen tot nieuwe inzichten en meerderheidsbesluiten. Daarnaast bieden Kamerdebatten ons als burger inzicht in het besluitvormingsproces en geven zij ons de mogelijkheid om te zien waar de verschillende partijen voor staan en waar en waarom hun standpunten verschillen. Vanuit democratisch perspectief is het dan ook cruciaal dat deze uitwisseling en toetsing van argumenten goed plaats vindt. Het probleem in de praktijk is dat de primaire doelstelling van de deelnemers aan het debat is om anderen te overtuigen van hun gelijk. De meest succesvolle manier om dit te doen is niet het goed uitwisselen en toetsen van argumenten. De sofisten toonden 2,5 duizend jaar geleden al aan dat het overtuigend debatteren niet zo zeer gelegen is in het kwalitatief goed argumenteren maar in het overtuigend presenteren van argumenten door een geloofwaardige persoon. Het is dan ook de taak van de voorzitter om in de hitte van de strijd streng maar rechtvaardig de regels van een goed debat te handhaven. Regels die voorafgaand aan het debat naar alle waarschijnlijkheid door alle deelnemers zullen worden omarmd maar die zij tijdens het debat aan de laars lappen omwille van persoonlijk succes. Wat dat betreft kunnen politici vergeleken worden met topsporters die allen de principes van fair play omarmen maar eenmaal op het veld daar waar nodig deze regels overtreden in de strijd om de winst. Zie daar de belangrijkste functie van de scheidsrechter; het bewaken van een eerlijke en goede wedstrijd.
De rol van de Kamervoorzitter is niet anders. Zij dient voorafgaand aan het debat duidelijke regels met de fractieleiders af te spreken en ze vervolgens strikt en zonder aanzien des persoon te handhaven. Zeker in deze politiek turbulente tijden moet deze rol veel meer worden opgeëist in eenieders belang. Juist nu is er behoefte aan kwalitatief goede debatten. De volgende beginselen dienen hierbij als uitgangspunt genomen te worden.
Om argumenten goed te kunnen uitwisselen is het belangrijk dat partijen een faire kans krijgen om hun argumenten te presenteren. Tijdens Kamerdebatten is dit zelden het geval. Vorig jaar bij de Politieke Beschouwingen stonden bij de spreektermijn van Pieter van Geel binnen een minuut al de eerste oppositiepartijen klaar om vervolgens bijna twee uur lang vrijwel onafgebroken vragen te stellen. Vanuit het perspectief van de oppositie is dit begrijpelijk. Die wil zo snel mogelijk de regie bij de spreker overnemen en zijn eigen agenda centraal stellen. Slimme debaters zoals Femke Halsema en Alexander Pechtold gebruiken het betoog van hun opponenten puur als springplank naar hun eigen stokpaardjes en zijn dan ook altijd snel bij de interruptiemicrofoon te vinden. Voor de kwaliteit van het debat is dit echter schadelijk. Om een goed debat te kunnen voeren is het belangrijk dat de standpunten en argumenten van iedere partij eerst zorgvuldig aangehoord worden. Deze vormen immers het vertrekpunt van het daadwerkelijke debat. Hoewel de opponenten over het algemeen wel aanvoelen waar een betoog naar toe gaat is het toch belangrijk dat het wordt aangehoord. Het geeft de spreker de kans om eventuele nieuwe nuances te presenteren en de geïnteresseerde toehoorder de mogelijkheid om te ontdekken waar iedere partij voor staat. De oplossing is simpel en is gelegen in beschermde spreektijden. Geef iedere fractieleider een kwartier de tijd om zonder interrupties zijn betoog te houden. Dit biedt de geïnteresseerde toehoorder, de pers maar ook de opponenten de kans om te horen waar een partij voor staat en waar de spreker de accenten legt. Deze beschermde spreektijd dient door de voorzitter strikt gehandhaafd te worden. Na vijftien minuten wordt een teken gegeven dat het interrumperen kan starten. Dit systeem zal zeker ook ten goede komen aan de kwaliteit van de betogen. Sprekers zullen hun vijftien minuten zo goed mogelijk willen gebruiken om een gedegen en overtuigende redenering neer te zetten daar waar met name de coalitiepartijen in de huidige situatie vaak een droog verhaal houden wetende dat het toch geen schijn van kans heeft om de bühne te bereiken vanwege het spervuur aan interrupties.
Het tweede bestanddeel van een goed debat is dat nadat argumenten zijn gepresenteerd deze ook grondig worden getoetst. Dit gebeurt primair door het stellen en beantwoorden van vragen. Ook hier heeft de Kamervoorzitter een belangrijke rol te vervullen om dit proces goed te laten verlopen. In de praktijk spelen drie problemen. Allereerst wordt door vragenstellers onder het mom van een vraag vaak een eigen betoog gehouden. Ook dit is vanuit het perspectief van de debater begrijpelijk. Iedere kans om de eigen boodschap te kunnen verkondigen wordt uiteraard aangegrepen. Voor het toetsen van argumenten waar het stellen van vragen voor bedoeld is, is het echter niet functioneel. De Kamervoorzitter dient hier streng en scherp in te oordelen. Zodra een vraag dreigt over te lopen in een betoog moet ingegrepen te worden. Dit houdt de vaart en de scherpte in het debat. Daarnaast moeten vragen zoveel mogelijk per onderwerp gebundeld worden. In de huidige praktijk kan iedereen vrijwel op ieder moment iedere vraag stellen die hem goeddunkt. Hierdoor spelen vaak meerdere onderwerpen tegelijkertijd tijdens een debat. Voor de geïnteresseerde toehoorder is dit verwarrend. Ook gaat het ten koste van de scherpte. Zodra een vragensteller een thema heeft aangekaart zou dit thema voor alle partijen centraal moeten staan en moeten worden afgerond voordat over wordt gegaan naar een nieuw thema. Ook dit draagt bij aan de duidelijkheid en de scherpte van het debat. Maar het belangrijkste struikelblok op dit moment is het feit dat vragen vaak helemaal niet beantwoord worden. Wederom valt dit prima te verklaren. Voor de spreker zijn vragen over het algemeen een hinderlijke onderbreking van zijn betoog. Daarnaast leggen vragen over het algemeen de vinger op de zere plek. Een plek waar de spreker liever van weg blijft. Resultaat is dat vragen dan wel met een lang verhaal dat geen antwoord is worden opgezadeld, de Pieter van Geel-variant, dan wel domweg met een ‘onzin!’ of andere korte sneer worden afgedaan waarna de spreker doorgaat met zijn verhaal. Op deze variant heeft Geert Wilders als enige patent. Zelden tot nooit onderneemt hij maar het begin van een poging om serieus in te gaan op een vraag. Tegen beide varianten moet door de voorzitter hard worden opgetreden. Het beantwoorden van vragen is een cruciaal onderdeel van een goed debat omdat over het algemeen in het stellen en beantwoorden van vragen de kern van het meningsverschil dat ten grondslag ligt aan het debat wordt behandeld.
Tot slot dient de voorzitter in haar rol van scheidsrechter er nog op toe te zien dat de bal gespeeld wordt en niet de man. Partijen moeten volledig vrij gelaten worden in hun argumentkeuze. Zeker volksvertegenwoordigers hebben de plicht om elkaars argumenten, hoe zeer zij het er wellicht mee oneens zijn, te allen tijde serieus te nemen. Tegelijkertijd dienen zij zich verre te houden van persoonlijke aanvallen. Deze zijn namelijk niet functioneel voor een goed debat. Tegenstanders zijn nooit ‘knettergek’, hun beleid kan dat wel zijn. Het consequent toezien op de naleving van bovenstaande principes maakt het voorzitten van een Kamerdebat tot een zware en verantwoordelijke taak die continu aan kritiek onderhevig zal zijn. Zeker omdat wij in ons Parlement gewend zijn aan een passievere rol voor de voorzitter. Toch vraagt het huidige politieke klimaat om een sterke voorzitter die de kwaliteit van het debatproces bewaakt. De deelnemers aan de plenaire vergadering zullen hier als het er op aankomt immers niet zelf op toezien. Hun primaire doel, het overtuigen van toehoorders, laat dit niet toe.
Roderik van Grieken
Directeur Nederlands Debat Instituut


